thema ‘kunst & leven’

Leven van kunst. Leven voor, in en met kunst.

Met de uitgave in 1550 van Vasari’s ‘De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten’ is het beroep van kunstenaar van een heel andere orde geworden dan welk ander beroep ook. De deels gefantaseerde verhalen over renaissancemeesters markeren het begin van denken over kunstenaars als godenzonen. Mensen die in contact staan met het hogere, zien wat wij niet zien, kunnen wat wij nooit zouden kunnen. Dat zelfs een grootheid als Michelangelo daar nuancering in aan probeerde te brengen door op te merken dat hij gewoon heel erg hard studeerde, deed niks meer af aan de status van deze scheppers. Het was het begin van de ‘mythe van het kunstenaarschap’ zoals Camiel van Winkel het noemt.

Karel Appel in zijn atelier

de kunstenaar

Wie is hij? Is hij echt anders dan wij allemaal?

Is hij een authentieke vrije geest? Die paradijsvogel waar we glimlachend van genieten. Hij staat buiten de maatschappij maar wij accepteren zijn buitenissigheid. Voor hem gelden andere regels, hij verdient financiële bescherming.

Of is hij een, eventueel tragische, superheld waar we ons mee kunnen identificeren? Iemand waar we onze hoop, ambities en teleurstellingen op kunnen projecteren.

Maar misschien is hij tegenwoordig eerder een handige ondernemer. Een geëngageerde wereldhervormer die de problemen van nu op een frisse manier onder de aandacht brengt of zelfs verandering kan veroorzaken.

Daan Roosegaarde met zijn ‘e-foil’

probleemstellingen

Onderstaande probleemstellingen horen bij het thema. De probleemstellingen kunnen worden ingekaderd door ze telkens te koppelen aan de periodes zoals genoemd in de basisstofomschrijving in de syllabus.


1. In hoeverre verschilt de beroepspraktijk van een kunstenaar anno nu met die van een kunstenaar uit het verleden?
2. In hoeverre veranderde de sociaaleconomische positie en de maatschappelijke status van de kunstenaar door de eeuwen heen?
3. Welke ideeën en mythes van het kunstenaarschap zijn er door de eeuwen heen ontstaan? Bijvoorbeeld: het klassieke kunstenaarschap (edelman kunstenaar), het romantische kunstenaarschap
(bohemien), het avant-gardistische of modernistische kunstenaarschap en het kunstenaarschap van de post-artist.

4. Op welke manieren presenteert de kunstenaar zichzelf door de eeuwen heen en hoe wordt hij/zij gerepresenteerd (voorgesteld) door anderen? En hoe sluit dit aan op ideeën en mythes van het kunstenaarschap?
5. Speelt het persoonlijke leven van de kunstenaar een rol in zijn/haar kunst? En welke verklaring(en) worden hiervoor gegeven?
6. Op welke manier weerspiegelt het atelier of de woning van een kunstenaar zijn of haar visie op kunst en/of leven?
7. Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van de biografische methode als kunsthistorische benadering? En welke alternatieve benaderingen bestaan er voor de biografische methode?
Bijvoorbeeld: de formele benadering, de iconologische benadering, de semiotiek, de kunstsociologische benadering, de postmoderne benadering.